Verslagen
Verslagen
Tübingen inspiratiebron voor Almere
Verslag opening tentoonstelling 11-12-2009.
door Thijs Wartenbergh
Almere is weg van de aanpak die de Duitse stad Tübingen heeft gehanteerd om collectief particulier opdrachtgeverschap – iets wat Almere via wethouder Adri Duivesteijn hoog in het vaandel heeft staan – vrij baan te geven. Dat bleek vrijdag 11 december bij de opening van een expositie over het Tübingen-model bij Casla. Het Homeruskwartier in Almere Poort is de aangewezen plek om het voorbeeld van deze Duitse universiteitsstad na te volgen.
Dat liet Jacqueline Tellinga, projectmanager Homeruskwartier bij de gemeente Almere, in haar toespraak weten. “We willen Tübingen niet kopiëren”, voegde ze eraan toe. “We hebben onze eigen aanpak, maar het Tübingen-model is voor ons een vat vol ideeën. We gaan aan de slag, met foto’s vanuit Tübingen in de hand. Dat zegt genoeg. Het Tübingen-concept met collectief particulier opdrachtgeverschap als uitgangspunt en functiemenging als belangrijkste tweede poot, werkt. De stad heeft een stedelijke sfeer, is zowel sociaal als architectonisch gedifferentieerd. Daarom willen wij dat ook in Almere nadrukkelijk toepassen.”
Concept
Wat is nu zo bijzonder aan het – met internationale architectuurprijzen onderscheiden - Tübingen-model? Om dat toe te lichten was prof. ing. Leonhard Schenk, naast architect en stedenbouwer ook Regierungsbaumeister en docent aan de Hochschule van Konstanz, naar Almere gekomen. Tübingen ligt bij Stuttgart, is een universiteitsstad en telt 82.000 inwoners en 25.000 studenten. Het concept kreeg langzaam maar zeker gestalte nadat beginjaren '90 van de vorige eeuw twee kazernecomplexen vrij kwamen omdat de daar gevestigde Franse troepen daar wegtrokken. Die situatie bood nieuwe kansen.
“Wat moest er met de kazernes gebeuren, was de vraag”, aldus Schenk. Onder leiding van prof. dr. Andreas Feldtkeller, zo werd besloten, moesten er ‘urbane wijken’ komen. Feldtkeller is mede-auteur van het boek ‘Go South, das Tübingen-model’. Het zou geen kopie zijn van het hoogstedelijke New York, of van een naoorlogse Oost-Duitse stad. “Uitgangspunten waren een mix van functies (wonen, voorzieningen en werken), hantering van de menselijke schaal, wel gestapelde bouw maar geen grote flats en betrokkenheid van bewoners bij de publieke ruimte. Variëteit en dichtheid (en daardoor lagere grondkosten) waren, volgens Schenk, verder belangrijke speerpunten. Een volgende drager vormen de bouwgroepen, die in een regelluw kader de kans kregen een eigen idee uit te werken.
Tot circa 2012 zullen er ongeveer 6500 nieuwe bewoners een plek hebben gevonden. Daarbij zijn 2000 nieuwe arbeidsplaatsen ontstaan. Twee grote wijken zijn inmiddels gerealiseerd: het Loretto-areaal en de Franse wijk, het ‘Französische Viertel’. De derde wijk, het Mühlenviertel, nadert de voltooiing. De tevreden bewoners hebben goedkoop gebouwd en wonen in veilige en gezellige wijken.
Structuur
Hoe kan deze specifieke stedelijke structuur ook in Almere gestalte krijgen? Bij de ontwikkeling stond kleinschaligheid voorop, aldus Schenk, waarbinnen – naast een menging van wonen en werken - het bouwen door verschillende bevolkingsgroepen een plaats moest krijgen. Deze menging van gebruiksfuncties (woningen met in de plinten bedrijven, winkels, kantoren en buurtvoorzieningen, waarbij Leefbaar Almere-fractieassistent Marco de Kat nog werd genoemd, die zich heeft ingespannen om winkels bij het particulier opdrachtgeverschap onder te brengen) is essentieel. De verscheidenheid aan typen gebouwen en bewoners (diverse sociale groepen en uiteenlopende generaties) gekoppeld aan zeer uiteenlopende werk- en woonwensen, zorgt voor de beoogde stedelijke sfeer. De gemeente Tübingen gaf in dit deel van de stad dan ook ruim baan aan particulier opdrachtgeverschap en dan met name de collectieve vorm daarvan.
Bouwgroepen
Bouwgroepen (collectieven van opdrachtgevers) bestaan uit gezinnen, ondernemers, of alleenstaanden. Ze ontwikkelen een gebouw dat qua functie en sfeer bij ze past. Dergelijke groepen verkrijgen gezamenlijk een kavel en zorgen voor een origineel plan. De stedenbouwkundige opzet bepaalt de kaders waarbinnen de kavels worden uitgegeven, in dit geval in een opzet van bouwblokken van 4 à 5 verdiepingen. Schenk: “Voordelen van die aanpak zijn: je betaalt voor wat je krijgt, je realiseert je droom, je kent je buren en je maakt gezamenlijk gebruik van voorzieningen. Nadelen: het proces kan flink wat tijd kosten, je kunt conflicten krijgen en een duidelijk overzicht van de financiën ontbreekt nog wel eens.” De gemeentelijke regie op de fysieke stad is geringer. Het ziet er allemaal wat chaotischer uit. Maar of dat een nadeel is, is de vraag. Uiteindelijk doel is, zo liet hij tenslotte weten: “Een directe participatie, identificatie met de stad en een urbane variëteit en lokale bedrijfsstructuren.”
Ans van Berkum, die met een Casla-afvaardiging in het kielzog van een gemeentelijke afvaardiging de situatie Tübingen heeft bekeken, zei daarna: “Almere kan wel een beetje chaos gebruiken! Het is interessant wat daar gebeurt, vooral de bijdrage die groepen mensen zelf aan een stad kunnen leveren. Het is belangrijk dat ook hier te realiseren.”
Geen haast
Jacqueline Tellinga maakt over het Homeruskwartier een paar dingen duidelijk qua aanpak: geen equivalenten, geen grote supermarkt, geen tenders met grote partijen. “Bouwgroepen moeten via een eigen gekozen structuur aan de slag. We willen het als gemeente niet volledig inkaderen. We zorgen wel voor een financiële achtervang, zodat groepen toch doorkunnen als er participanten tijdens het proces afvallen. Haast hebben we niet. Het hoeft niet in twee jaar klaar te zijn. De ontwikkeling van het Loretto-areaal heeft tien jaar in beslag genomen.”
“Zelf een stadscentrum maken, we kennen hier nog niet”, ging ze verder. “Ik doe dan ook graag een beroep op Casla en de daar aanwezig know-how en enthousiasme om – zo mogelijk – tijdens de expositie bouwgroepen te werven. Tijdens de expositie is overigens ook een film van Tübingen te bezichtigen, gemaakt door Cees de Lange en Theo Faber.
Overzicht
Tezamen met ‘Tübingen, Model voor Almere’ is in Casla ook de expositie ‘Almere in Groei’ te zien. Daarbij krijgt de bezoeker een overzicht te zien vanaf de drooglegging van de Flevopolders tot de expansie van Almere. Getoond wordt hoe het Projekt Buro Almere, onder leiding van Dirk Frieling, aan de slag ging en stap voor stap – via het meerkernige stadsontwerp – aan de groei van de stad werkte, tot waar het nu is: een ruim opgezette suburbane agglomeratie met 190.000 inwoners en grote toekomstplannen. Deze expositie, zal in de tijd met de stad meegroeien.
