rss feed
Zoeken

Verslagen

Verslagen

Jo Santoso: Pleidooi voor de kampong

Taman Anggrek SuperblockJakarta, Almere. Wat kan de ene stad van de andere leren?

Verslag debat 30-11-2009.

door Thijs Wartenbergh

Zowel Jakarta als Almere maakt de komende 20, 30 jaar een sterke groei door. De twee steden verschillen aanzienlijk in omvang (Jakarta telt bijna 20 miljoen inwoners en groeit jaarlijks met een à twee procent, Almere telt in 2030 mogelijk 350.000 inwoners tegen 190.000 nu), maar er zijn ook overeenkomsten. Wat kan de ene stad leren van de andere? Hoe ‘tem’ je de urbanisatie? Gastspreker professor Jo Santoso, expert op het gebied van urban planning en docent aan de Universiteit van Jakarta, gaf daar maandag 30 november bij architectuurcentrum Casla zijn visie op.

Discussieleider Jan de Vletter stond even stil bij de voor Almere belangrijke datum van 30 november. Toen streken namelijk in 1976, 33 jaar geleden, de eerste bewoners aan de Schoolwerf in Haven neer. “Anno 2009 hebben we bijna 190.000 inwoners”, aldus De Vletter. “Almere heeft een historie van nog geen 40 jaar, Jakarta kent een geschiedenis van bijna 400 jaar, vanaf 1619, toen nog Batavia geheten. Dat is een enorm verschil in leeftijd, toch hebben de steden overeenkomsten”.

Ontmoeting

Bezoekers van de avondDe twee, De Vletter en Santoso, hebben elkaar in 1987 in Almere, ontmoet bij een seminar van corporaties. “Later ben ik hier nog eens geweest”, vervolgt de gastspreker. “Maar dat was meer als toerist.” Volgens hem maken velen zich zorgen over de wereldwijd om zich heen grijpende urbanisatie. “Vijftig procent van de wereldbevolking woont al in steden. Deze mensen hebben onderdak en voorzieningen nodig, er moeten wegen komen. Daar komt veel bij kijken. Indonesië telt thans 90 miljoen inwoners. Over 25 jaar zal dat aantal verdubbeld zijn. Veel architecten en stedenbouwkundigen vragen zich af: hoe kunnen we dit proces managen? Zullen we in staat zijn stedenbouwkundige uitgangspunten te vinden die werken?” Met Bertold Brecht vraagt hij zich af: ‘Sind wir schlau genug?’

Vervolgens nam Santoso de vier architectonische periodes onder de loep die het beeld van de stad in de loop der eeuwen hebben bepaald: de vroege koloniale periode, de late koloniale periode en de periodes onder respectievelijk Soekarno (‘capital of new born nation’) en Suharto, de eerste en tweede president van Indonesië. “Opvallend is dat elke nieuwe periode geen enkel respect toonde voor de vorige fase. Men volgde zijn eigen instincten. Er was, bouwkundig gezien, geen enkele logische aansluiting van de ene op de andere periode.”

Moderne stad

Soekarno met name, aldus Santoso, had niets te maken met het koloniale erfgoed en had maar één idee: van Jakarta een moderne stad maken met megalomane trekjes. Suharto deed dat, als opvolger, dunnetjes over door zes miljoen vierkante meter aan winkelcentra te creëren.

Santoso nam zijn toehoorders vervolgens mee naar de Batavia-periode en het ontstaan ervan in het begin van de zeventiende eeuw, waarbij de Nederlandse kolonialisten het westelijk, bestaande deel van de nederzetting vernielden en zich in het noordelijk deel vestigden. Arabieren, Japanners en Chinezen leven als etnische groepen samen in het zuidelijker deel, met als middelpunt een traditionele markt waar de etnische groepen allemaal apart hun spullen verkochten. Typische Hollandse sporen zijn nog terug te vinden in de aanleg van grachten, gebouwen, hotels, een trambaan, ophaalbrug en het park Weltevreden (met een paleis, buitenhuizen en een Waterlooplein).

Ontstaan kampongs

Langzaam maar zeker begon Batavia in de loop der jaren te groeien, met uitbreidingswijken langs de wegen. Daar ontstonden de kampongs, kleine gemeenschappen bestaande uit verschillende etnische groeperingen, waar onder primitieve omstandigheden geleefd werd in bouwvallige woninkjes met nauwelijks water, riolering of elektriciteit. Het gesprek over het sociale en stedenbouwkundige nut van deze kampongs, waarvan een aantal illegaal is, zou de rest van de Santoso’s uiteenzetting overheersen. “De Kampongs spelen, net als de traditionele markten overigens, een eigen rol in de urbanisatie. Het is heel interessant dat ze al die tijd konden overleven. Migranten vonden er onderdak en leerden er samen leven. De kampong is de leerschool bij uitstek voor sociale tolerantie en economische ontwikkeling. Mensen met een verschillende religieuze achtergrond hebben er een gemeenschappelijk leven gecreëerd, op elke hoek wordt iets verkocht. Mensen vinden er werk en leren er te overleven. Hier begint het stedelijk leven.”

Volgens hem moeten de kampongs verder verbeterd en professioneel gemanaged worden. De noodzaak ervan wordt echter nog te weinig ingezien. De vaak ongeschoolde bewoners van een kampong hebben te weinig geld om een huis te kopen. Slechts 30 procent van de bevolking zou zich zoiets überhaupt kunnen veroorloven. Er wordt, volgens Santoso, teveel nadruk op koop gelegd. “Het lijkt wel een nieuwe religie”, meent hij. “Faciliteiten bieden is ook een optie. Armoe is niet de grote vijand, maar ik geloof dat een aantal mensen een hersenspoeling nodig heeft om eens helder te kunnen denken.

Ondanks dat projectontwikkelaars steeds vaker kampongs ontruimen om er vervolgens woningen en winkels neer te zetten, is er nog steeds een groot aantal over. Verder is in Jakarta veel hoogbouw te vinden de zogenaamde ‘super blocks’ . In die stadsdelen wonen wel 3000 personen per hectare. “Een ramp”, aldus Santoso. “Over een tijdje horen we wel wat ervan geworden is. Ik denk niet veel positiefs.”

Circus

Een van de toehoorders stelde dat er in Almere een leuk onderkomen voor kleine ondernemers is, heel in de verte vergelijkbaar met het ongedwongen leven in een kampong: het Circus in Almere Stad. Dat is inmiddels afgebroken. “Heel spijtig”, aldus De Vletter. “daarmee is een soort broedplaats voor stedelijk leven en functiemenging verdwenen. In Amsterdam heb je nogal wat oude schoolgebouwen waar een en ander opgezet wordt. Ook zoiets heb je hier niet.” Maar een toehoorder vraagt zich af of het kampongmodel wel past bij het koude Europa.

Waarop de spreker antwoordt: “Het idee van de kampong is niet zomaar verplaatsbaar naar een andere stad. Jullie wonen en werken van oudsher in een multiculturele samenleving. Nederland kan wat dat betreft zijn eigen systemen exporteren en hoeft niet terug te grijpen op het model van de kampong. Onze stad moet van zijn eigen geschiedenis leren. De kampongs horen bij ons cultureel erfgoed. We moeten ze gebruiken als transitiegebieden. Als de plek die mensen voorbereidt op het echte leven van de stedeling.”

Terugkomend op de urbanisatie: Jo Santoso is van mening dat in elk land de mensen op een bepaalde manier geconditioneerd zijn in hun denken. Op dit moment wordt in Indonesië vooral het privébezit van woningen gepromoot. Maar in feite kan slechts 30 % van de mensen zich een eigen woning veroorloven. “We moeten uit die tunnel komen en bekijken hoe we het probleem van de woningbehoefte in de breedte kunnen oplossen.” Het publiek reageert met de opmerking dat in Jakarta juist de mix van hoogbouw en kampongs het begin moet vormen van een geëigende oplossing. Moet er gezorgd worden voor nieuwe vormen van hypothecaire leningen; leningen die bijvoorbeeld niet grondgebonden zijn? Santoso reageert als door een wesp gestoken: laat het uit zijn met dat streven naar privébezit! Daar komen we niet mee verder!

Een van de mogelijkheden om de problematiek van de metropool te verzachten is misschien om te zorgen voor een sterkere verbinding tussen metropool en achterland. Omdat de voorzienende functie van de eigen regio vergeten wordt, trekt men van daaruit wegens gebrek aan bestaansmiddelen weer naar de stad. Om de groei van de stad in te dammen moet de economische rol van de regio vóór de stad worden versterkt. Verder stelt de spreker: “Small scale enterprises are the motor of urban life.” Dat geldt ook voor Almere. Laten we in elk stadsdeel een ‘circus’ vestigen. Functiemenging, dat brengt leven in de brouwerij. “